Opstap¶
Dictionaries¶
Leerdoel: een dictionary aanmaken, erin opzoeken, hem aanvullen en doorlopen.
Deze opdrachten zijn kaal met opzet. Ze oefenen de handgrepen die je bij de opgave van deze week nodig hebt, zodat je daar met het probleem bezig kunt zijn in plaats van met de syntaxis.
Gebruik in de opdrachten hieronder deze dictionary:
voorraad = {"appel": 12, "peer": 3, "banaan": 0}
Opdracht 1¶
Maak de dictionary voorraad aan en druk hem af.
# jouw oplossing
Opdracht 2¶
Druk af hoeveel appels er zijn, dus alleen het getal 12.
# jouw oplossing
Opdracht 3¶
Voorspel eerst wat er gebeurt, voer daarna uit:
print(voorraad["kiwi"])
a. Wat verwacht je? b. Wat gebeurt er werkelijk, en wat zegt de foutmelding?
# controleer jouw antwoord
Opdracht 4¶
Met in vraag je of een sleutel bestaat, zonder dat het misgaat.
Druk True of False af voor de vraag of "kiwi" in voorraad zit, en
daarna hetzelfde voor "peer".
# jouw oplossing
Opdracht 5¶
Voeg "kiwi" toe met de waarde 7, en druk de dictionary daarna af.
Merk op dat toevoegen er hetzelfde uitziet als wijzigen.
# jouw oplossing
Opdracht 6¶
Er is één appel verkocht. Verlaag het aantal appels met één, zonder het getal
11 in te typen.
# jouw oplossing
Opdracht 7¶
Druk af hoeveel soorten fruit er in de voorraad staan.
Let op: dat is niet hetzelfde als hoeveel stuks er zijn.
# jouw oplossing
Opdracht 8¶
Loop de dictionary langs en druk per regel de soort en het aantal af:
appel: 11
peer: 3
banaan: 0
kiwi: 7
# jouw oplossing
Opdracht 9¶
Loop de dictionary langs en druk alleen de soorten af die op zijn, dus met
aantal 0.
# jouw oplossing
Opdracht 10¶
Dit is het patroon van deze week. Gegeven:
kleuren = ["rood", "blauw", "rood", "groen", "rood", "blauw"]
Maak een dictionary die elke kleur koppelt aan het aantal keren dat hij voorkomt, en druk hem af. De uitkomst is:
{'rood': 3, 'blauw': 2, 'groen': 1}
# jouw oplossing
Opdracht 11¶
In het college zag je twee manieren om er een element bij te zetten: met
+ [9] komt er een nieuwe lijst, met .append(9) verandert de lijst zelf.
Probeer ze allebei uit op [3, 1, 4] en controleer dat de uitkomst hetzelfde
is.
# jouw oplossing
Sets¶
Leerdoel: een set aanmaken, erin opzoeken en hem aanvullen.
Gebruik in de opdrachten hieronder deze lijst:
gasten = ["Anne", "Bram", "Anne", "Cas", "Bram", "Anne"]
Opdracht 12¶
Maak van gasten een set met de unieke namen, en druk hem af.
# jouw oplossing
Opdracht 13¶
Druk af of "Cas" in de set zit, en daarna of "Daan" erin zit.
# jouw oplossing
Opdracht 14¶
Er komt een nieuwe gast bij: "Daan". Voeg hem toe aan de set.
# jouw oplossing
Opdracht 15¶
Vergelijk het aantal namen in gasten met het aantal namen in de set. Wat
zegt het verschil over hoeveel gasten er ooit langskwamen ten opzichte van
hoeveel verschillende gasten dat waren?
# jouw oplossing