Onderwerpen

Schotel

Dictionaries, sets en een taalmodel

Deze week leer je twee nieuwe manieren om data te bewaren. Een dictionary koppelt een sleutel aan een waarde: je zoekt op met de sleutel, zoals je in een woordenboek een woord opzoekt. Een set houdt alleen bij wélke waarden er zijn, zonder dubbele en zonder volgorde. Daarbij leer je een methode aanroepen, zoals my_list.append(9): een handeling die bij de data zelf hoort.

Het eerste college behandelt methoden en dictionaries. Dat heb je nodig voor het eerste deel van de opstap en voor de basis. Het tweede college behandelt sets, die je nodig hebt voor het tweede deel van de opstap en voor de extra. Het bouwt ook een taalmodel: een dictionary die bijhoudt welk woord op welk woord volgt. In het werkcollege werk je dat uit tot een programma dat zelf tekst schrijft.

Aan het eind van de week kun je met een dictionary gegevens opzoeken en tellen, met een set bepalen welke waarden er voorkomen, en uitleggen hoe een taalmodel met een dictionary van opvolgers nieuwe tekst maakt.

Waar je vandaan komt

In week 7 van Programmeren 1 zag je dat een lijst mutable is: L[i] = x verandert de lijst zelf, in plaats van dat er een nieuwe lijst ontstaat. Deze week zie je een tweede manier om een lijst zelf te veranderen, met de methode append, en twee datatypes die je ook kunt aanpassen nadat je ze hebt gemaakt.